Job 41:25
Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.
23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
24Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
26
9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.
19Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.
4De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.
24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.
25Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
22Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?
23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.
1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
11De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.
12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
23Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.
1De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting; bezichtig den weg; sterk de lenden, versterk de kracht zeer.
19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
30
15Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem;
14Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.
11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.
24Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.
25Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.
12Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden.
6Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
33
34
9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.
16Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
5Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;
15En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
11Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.
16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;
12Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.
5Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.
28Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.
12En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.
15Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaan zullen versmelten!
10De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.