Job 39:21

Statenvertaling (States Bible)

Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jer 8:6 : 6 Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in den strijd.
  • Jer 9:23 : 23 Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
  • Richt 5:22 : 22 Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen zijner machtigen.
  • 1 Sam 17:4-9 : 4 Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span. 5 En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers; 6 En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders; 7 En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht. 8 Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome. 9 Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen. 10 Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
  • 1 Sam 17:42 : 42 Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.
  • Ps 19:5 : 5 Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
  • Spr 21:31 : 31 Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 39:22-25
    4 verzen
    82%

    22Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?

    23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

    24Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.

    25Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.

  • Job 39:19-20
    2 verzen
    80%

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

  • Job 41:21-22
    2 verzen
    75%

    21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.

    22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.

  • Job 40:15-21
    7 verzen
    74%

    15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

    16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

    17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

    18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

    19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

    20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

    21Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?

  • Job 15:24-26
    3 verzen
    73%

    24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.

    25Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.

    26Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.

  • Job 41:9-10
    2 verzen
    73%

    9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.

    10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.

  • 73%

    34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.

    35Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

  • 33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.

  • Job 40:23-24
    2 verzen
    72%

    23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?

    24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]

  • Job 41:28-29
    2 verzen
    72%

    28

    29

  • Job 39:7-8
    2 verzen
    72%

    7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.

    8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

  • 25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.

  • 13De HEERE zal uittrekken als een held; Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.

  • 11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

  • 6Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op.

  • 10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.

  • 19De Heere HEERE is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginoth.

  • 10Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.

  • Spr 30:30-31
    2 verzen
    70%

    30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;

    31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.

  • 3Dat hij ze najaagde en doortrok met vrede, door een pad, hetwelk hij met zijn voeten niet gegaan had?

  • 7Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.

  • 11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

  • 8God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 39

  • 4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?

  • 19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.

  • 21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.

  • 5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

  • 39Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.

  • 12Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.