Job 40:15

Statenvertaling (States Bible)

Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 1:24-26 : 24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo. 25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
  • Job 39:8 : 8 Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
  • Job 40:20 : 20 Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
  • Ps 104:14 : 14 Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 40:16-20
    5 verzen
    78%

    16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

    17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

    18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

    19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

    20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 14Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.

  • 72%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

  • Job 39:19-21
    3 verzen
    72%

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

    21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • 5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

  • 15Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde.

  • 15En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en gij zult eten en verzadigd worden.

  • Job 41:1-2
    2 verzen
    69%

    1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?

    2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.

  • 23Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

  • 26Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • Job 39:8-11
    4 verzen
    69%

    8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

    9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

    10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

    11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

  • 14Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

  • 10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.

  • 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  • 4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

  • 7De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.

  • 11Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;

  • 30Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.

  • 8Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • 5Ik heb gemaakt de aarde, den mens en het vee, die op den aardbodem zijn, door Mijn grote kracht, en door Mijn uitgestrekten arm, en Ik geef ze aan welken het recht is in Mijn ogen.

  • Job 40:8-10
    3 verzen
    68%

    8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

    9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

    10Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.

  • 22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.

  • 46Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;

  • 14Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.

  • 7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

  • 25En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.

  • 4Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;

  • 10Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.

  • 6Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.

  • 39

  • 24Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.

  • 18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.

  • 4De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.

  • 7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.

  • 12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.