Job 41:7

Statenvertaling (States Bible)

Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 41:1-6
    6 verzen
    85%

    1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?

    2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.

    3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.

    4Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?

    5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.

    6Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.

  • Job 41:8-10
    3 verzen
    78%

    8Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.

    9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.

    10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.

  • 24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]

  • Job 41:26-31
    6 verzen
    73%

    26

    27

    28

    29

    30

    31

  • Job 41:13-15
    3 verzen
    73%

    13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.

    14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.

    15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.

  • 39

  • Job 40:17-19
    3 verzen
    72%

    17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

    18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

    19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

  • 23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

  • 20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

  • 4Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en den vis uwer rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en al de vis uwer rivieren zal aan uw schubben kleven.

  • Hab 1:14-15
    2 verzen
    71%

    14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?

    15Hij trekt ze allen met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich.

  • Job 20:24-25
    2 verzen
    71%

    24Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.

    25Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.

  • Job 40:8-9
    2 verzen
    71%

    8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

    9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

  • 12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

  • Job 39:10-11
    2 verzen
    70%

    10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

    11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

  • 17Zal hij dan daarom altoos zijn garen ledig maken, en zal hij niet verschonen, met altoos de volken te doden?

  • 14Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.

  • 13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

  • 1Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwemelende slang, ja, den Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, doden.

  • 16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

  • 23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.

  • 11Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;

  • 34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

  • 13He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.

  • 12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.

  • 12Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?

  • 23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

  • 4Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

  • 4Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.

  • 18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?