Job 38:34

Statenvertaling (States Bible)

Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 22:11 : 11 Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
  • Job 36:27-28 : 27 Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten; 28 Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.
  • Am 5:8 : 8 Die het Zevengesternte en den Orion maakt, en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam.
  • Zach 10:1 : 1 Begeert van den HEERE regen, ten tijde des spaden regens; de HEERE maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld.
  • Jak 5:18 : 18 En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort.
  • 1 Sam 12:18 : 18 Toen Samuel den HEERE aanriep, zo gaf de HEERE donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk zeer den HEERE en Samuel.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

  • Job 36:27-30
    4 verzen
    82%

    27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;

    28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.

    29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?

    30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.

  • 35Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?

  • Job 38:37-38
    2 verzen
    81%

    37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?

    38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

  • Job 22:11-14
    4 verzen
    81%

    11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

    12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.

    13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?

    14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

  • 9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

  • Job 37:15-16
    2 verzen
    78%

    15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

    16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?

  • Job 38:24-26
    3 verzen
    78%

    24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

    25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

    26Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;

  • Job 26:8-9
    2 verzen
    77%

    8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

    9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.

  • 5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.

  • Job 36:32-33
    2 verzen
    77%

    32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.

    33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp

  • 11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

  • 8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

  • Job 37:5-6
    2 verzen
    76%

    5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.

    6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  • 18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?

  • 13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • Ps 77:17-18
    2 verzen
    75%

    17De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.

    18De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.

  • 6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

  • 22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

  • 18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.

  • 28Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?

  • 9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;

  • 11En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.

  • 4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

  • Job 38:30-31
    2 verzen
    73%

    30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

    31Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?

  • 44Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.

  • Ps 104:2-3
    2 verzen
    73%

    2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

    3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

  • 22Zijn er onder de ijdelheden der heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt Gij die niet, o HEERE, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want Gij doet al die dingen.

  • 10De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.

  • 22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

  • 2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

  • 3De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.