Job 37:18
Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?
33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?
18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
5Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
29Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?
30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
31Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?
11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
19Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis.
5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.
9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
12Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;
13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
12Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.
10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
15Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.
13Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
17Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?
32
17En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.