Job 38:16

Statenvertaling (States Bible)

Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 77:19 : 19 Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
  • Spr 8:24 : 24 Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;
  • Jer 51:36 : 36 Daarom, zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen.
  • Job 26:5-6 : 5 De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners. 6 De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 38:17-22
    6 verzen
    88%

    17Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?

    18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.

    19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

    20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?

    21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.

    22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

  • 14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.

  • Job 11:8-9
    2 verzen
    77%

    8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

    9Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.

  • 8Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?

  • Job 38:10-13
    4 verzen
    77%

    10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;

    11En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.

    12Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;

    13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?

  • Job 38:33-34
    2 verzen
    76%

    33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

    34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

  • 8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

  • 30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

  • Jona 2:5-6
    2 verzen
    75%

    5De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.

    6Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!

  • Job 38:4-5
    2 verzen
    75%

    4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

    5Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?

  • Job 26:4-5
    2 verzen
    75%

    4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?

    5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.

  • 3Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.

  • 15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?

  • 16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.

  • Job 38:24-25
    2 verzen
    74%

    24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

    25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

  • 30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.

  • 19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.

  • 7O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.

  • 15En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?

  • 12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

  • 14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?

  • 15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.

  • 7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.

  • 10Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren des groten afgronds, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?

  • 29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;

  • 24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?

  • 15Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.

  • 36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?

  • 32

  • 4Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?

  • 12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

  • 6Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.

  • 28Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?

  • 15Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.

  • 1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?