Psalmen 69:15

Statenvertaling (States Bible)

Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 16:33-34 : 33 En zij voeren neder, zij en alles wat hunner was, levend ter helle; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden der gemeente. 34 En het ganse Israel, dat rondom hen was, vlood voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde!
  • Ps 16:10 : 10 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
  • Ps 88:4-6 : 4 Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. 5 Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; 6 Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.
  • Ps 124:4-5 : 4 Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn. 5 Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.
  • Jes 43:1-2 : 1 Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. 2 Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
  • Jona 2:2-7 : 2 En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem. 3 Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen. 4 En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen. 5 De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden. 6 Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God! 7 Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.
  • Matt 12:40 : 40 Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.
  • Hand 2:24 : 24 Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
  • Hand 2:31 : 31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
  • Opb 12:15-16 : 15 En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren. 16 En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 69:13-14
    2 verzen
    87%

    13Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.

    14Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.

  • Ps 69:1-3
    3 verzen
    84%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.

    2Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

    3Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.

  • Jona 2:5-6
    2 verzen
    79%

    5De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.

    6Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!

  • 2 Sam 22:5-6
    2 verzen
    76%

    5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.

    6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.

  • Ps 69:16-17
    2 verzen
    76%

    16Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.

    17Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

  • 75%

    54Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!

    55Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.

  • 3Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.

  • 7O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.

  • 17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

  • 16En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.

  • 3HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.

  • Ps 18:4-5
    2 verzen
    73%

    4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

    5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

  • 7Verhoor mij haastelijk, HEERE! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in den kuil dalen.

  • Ps 35:24-25
    2 verzen
    73%

    24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.

    25Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

  • 1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!

  • 6Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.

  • 1Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.

  • Ps 124:4-5
    2 verzen
    72%

    4Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.

    5Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.

  • 13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • 16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

  • 17Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.

  • 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

  • 3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

  • 19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?

  • 5De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.

  • 12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

  • 14Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.

  • 7Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;

  • 8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.

  • 20Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.

  • 12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;

  • 21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.

  • 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 19Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

  • 31Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.

  • 9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

  • 11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.

  • 13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

  • 4Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.