Psalmen 141:9

Statenvertaling (States Bible)

Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 140:5 : 5 Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
  • Ps 119:110 : 110 De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
  • Ps 38:12 : 12 Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.
  • Ps 142:3 : 3 Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
  • Spr 13:14 : 14 Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
  • Jer 18:22 : 22 Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.
  • Luk 20:20 : 20 En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 10Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.

  • Ps 140:4-5
    2 verzen
    82%

    4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.

    5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

  • 110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.

  • 8Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.

  • 2Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.

  • Ps 17:8-9
    2 verzen
    78%

    8Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,

    9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.

  • Job 18:8-10
    3 verzen
    78%

    8Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.

    9De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.

    10Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.

  • 15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.

  • 6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

  • 4Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.

  • 9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.

  • Ps 59:1-3
    3 verzen
    76%

    1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.

    2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.

    3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.

  • 22Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.

  • 3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.

  • 26Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijken strik, zij vangen de mensen.

  • Ps 35:7-8
    2 verzen
    75%

    7Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.

    8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

  • 15Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.

  • 6Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.

  • 12Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.

  • 22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

  • 4Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.

  • 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  • Ps 17:4-5
    2 verzen
    73%

    4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

    5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

  • 3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.

  • 1Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.

  • 9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.

  • 10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,

  • 7Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 73%

    1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.

  • Spr 1:17-18
    2 verzen
    73%

    17Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;

    18En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.

  • 2Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.

  • 20Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.

  • 13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.

  • 5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

  • 14Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.

  • 13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

  • 5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.

  • 9Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.

  • 4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.

  • 6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.