Psalmen 119:110
De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
10Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
51De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
155Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!