Psalmen 119:110

Statenvertaling (States Bible)

De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 140:5 : 5 Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
  • Ps 141:9 : 9 Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
  • Spr 1:11-12 : 11 Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak; 12 Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
  • Jer 18:22 : 22 Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.
  • Ps 10:8-9 : 8 Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme. 9 Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net. 10 Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten. 11 Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. 12 Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet. 13 Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken? 14 Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees. 15 Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt. 16 De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land. 17 HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken; 18 Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.
  • Ps 119:10 : 10 Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
  • Ps 119:85 : 85 De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
  • Ps 119:95 : 95 De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
  • Ps 124:6-7 : 6 De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof. 7 Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
  • Ps 119:21 : 21 Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
  • Ps 119:51 : 51 De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
  • Dan 6:10 : 10 Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.
  • Luk 20:19-26 : 19 En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had. 20 En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren. 21 En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid. 22 Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet? 23 En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? 24 Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers. 25 En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. 26 En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.
  • Ps 119:87 : 87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 141:9-10
    2 verzen
    79%

    9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

    10Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.

  • Ps 119:93-95
    3 verzen
    78%

    93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.

    94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.

    95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.

  • Ps 119:10-11
    2 verzen
    78%

    10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.

    11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.

  • 78%

    101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

    102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.

  • Ps 119:85-87
    3 verzen
    77%

    85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.

    86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.

    87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.

  • 69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.

  • Ps 119:60-61
    2 verzen
    77%

    60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.

    61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.

  • 76%

    157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.

    158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.

  • Ps 140:4-5
    2 verzen
    76%

    4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.

    5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

  • 67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.

  • 109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.

  • 51De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.

  • 118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.

  • 168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.

  • 143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.

  • 161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.

  • 22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

  • 21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

  • 115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.

  • 56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

  • 78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.

  • Ps 17:4-5
    2 verzen
    73%

    4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

    5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

  • 141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.

  • 8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.

  • 53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.

  • 73%

    111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.

    112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.

  • 43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.

  • 133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.

  • 176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.

  • 45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.

  • 128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.

  • 11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

  • 21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.

  • 30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.

  • 2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.

  • 155Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.

  • 16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.

  • 5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!