Psalmen 119:10
Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
32Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
145Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
166O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
8Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
11Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.