Psalmen 119:47
En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
48En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
32Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
166O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
8Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
1Voor den opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
4En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.
24Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.