Psalmen 119:162
Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
16Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen!
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
164Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
165Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
166O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
72De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
9Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
70Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
14Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.