Psalmen 119:50
Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
75Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
154Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
19Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
81Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
11O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
71Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
17Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
20Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.
21Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.
16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.
21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.
114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
17Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.