Psalmen 119:17
Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
57Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
175Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
154Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
135Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!