Psalmen 119:175
Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
154Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
11O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.
2Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
17Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
121Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
17Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
4Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?
28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.