Psalmen 119:20
Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
8Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.
9Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid.
2Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
175Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
81Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
1Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
2Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
5Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
6Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
6Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.
136Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
164Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
84Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.