Psalmen 119:143
Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
166O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
71Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
24Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
19Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.