Psalmen 119:53
Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.
5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
51De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
6Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
54Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
55HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
139Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
63Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.
17Wees Gij mij niet tot een verschrikking; Gij zijt mijn Toevlucht ten dage des kwaads.
21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
150Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.
155Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
30Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.