Psalmen 119:113
Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
164Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
165Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
126Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
104Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
6In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!
114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
21Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
22Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
70Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.
53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
5Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
17En denkt niet de een des anderen kwaad in ulieder hart; en hebt een valsen eed niet lief; want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de HEERE.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.