Psalmen 119:29
Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
8Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;
11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
104Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
11Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.