Psalmen 119:115
Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
19O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
20Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.
21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.
150Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.
53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
121Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
5Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
155Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
31Daarom zult gij Mijn geboden houden, en dezelve doen; Ik ben de HEERE!
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.