Psalmen 119:37
Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
148Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
154Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
11O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
3Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
1Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
135Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
8Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
8Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;
21En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden na volgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.