Psalmen 119:117
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
145Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
44Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
31Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
12Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
18Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
175Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
21Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.
23Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
68Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
1Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
48En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.