Psalmen 119:118
Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
68Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
137Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
138Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
104Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
3Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
150Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.
151Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
152Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
10Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
27Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.