Psalmen 5:10

Statenvertaling (States Bible)

Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Sam 17:14 : 14 Toen zeide Absalom, en alle man van Israel: De raad van Husai, den Archiet, is beter dan Achitofels raad. Doch de HEERE had het geboden, om den goeden raad van Achitofel te vernietigen, opdat de HEERE het kwaad over Absalom bracht.
  • 2 Sam 17:23 : 23 Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij den ezel, en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Alzo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf.
  • 2 Sam 15:31 : 31 Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O, HEERE! maak toch Achitofels raad tot zotheid.
  • Deut 2:30 : 30 Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelve niet laten doortrekken; want de HEERE,, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te dezen dage.
  • 1 Sam 25:29 : 29 Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel mijns heren ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God; maar de ziel uwer vijanden zal Hij slingeren uit het midden van de holligheid des slingers.
  • 1 Sam 25:39 : 39 Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zeide hij: Gezegend zij de HEERE, Die den twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat de HEERE het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen wederkeren! En David zond heen, en liet met Abigail spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam.
  • 2 Kron 25:16 : 16 En het geschiedde, als hij tot hem sprak, dat hij hem zeide: Heeft men u tot des konings raadgever gesteld? Houd gij op; waarom zouden zij u slaan? Toen hield de profeet op, en zeide: Ik merk, dat God besloten heeft u te verderven, dewijl gij dit gedaan, en naar mijn raad niet gehoord hebt.
  • Esth 7:10 : 10 Alzo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden; en de grimmigheid des konings werd gestild.
  • Job 5:12-14 : 12 Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten. 13 Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt. 14 Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.
  • Ps 7:9-9 : 9 De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is. 10 Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God! 11 Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt. 12 God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt. 13 Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid. 14 En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen. 15 Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.
  • Ps 9:15-16 : 15 Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil. 16 De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.
  • Ps 10:15 : 15 Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.
  • Ps 17:13 : 13 Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
  • Ps 21:8-9 : 8 Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen. 9 Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden. 10 Gij zult hen zetten als een vurige oven ter tijd uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
  • Ps 28:3-4 : 3 Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart. 4 Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.
  • Ps 31:18 : 18 HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
  • Ps 35:1-8 : 1 Een psalm van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders. 2 Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp. 3 En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. 4 Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken. 5 Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg. 6 Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen. 7 Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel. 8 De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.
  • Ps 35:26 : 26 Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
  • Ps 55:15 : 15 Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.
  • Ps 59:12-13 : 12 Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild! 13 Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen.
  • Ps 64:6-8 : 6 Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien? 7 Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart. 8 Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.
  • Ps 66:7 : 7 Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
  • Ps 68:1-2 : 1 Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester. 2 God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.
  • Ps 69:22-25 : 22 Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. 23 Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik. 24 Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen. 25 Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
  • Ps 71:13 : 13 Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.
  • Ps 79:12 : 12 En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.
  • Ps 83:9-9 : 9 Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela. 10 Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison; 11 Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde. 12 Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna; 13 Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen. 14 Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind. 15 Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt; 16 Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind. 17 Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken. 18 Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen; [ (Psalms 83:19) Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde. ]
  • Ps 107:11 : 11 Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.
  • Ps 109:6-9 : 6 Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand. 7 Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. 8 Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt; 9 Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe. 10 En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken. 11 Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven. 12 Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij. 13 Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht. 14 De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd. 15 Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde. 16 Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden. 17 Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem. 18 En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen. 19 Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt. 20 Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.
  • Ps 137:7-9 : 7 HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe! 8 O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt. 9 Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.
  • Ps 140:9-9 : 9 Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela. 10 Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.
  • Ps 144:6-7 : 6 Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen. 7 Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
  • Jes 1:2 : 2 Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.
  • Jes 1:20 : 20 Maar indien gij weigert, en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.
  • Jes 63:10 : 10 Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben Zijn Heiligen Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
  • Klaagl 1:5 : 5 He. Haar tegenpartijders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar de HEERE bedroefd heeft, vanwege de veelheid harer overtredingen; haar kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartijders.
  • Dan 9:5 : 5 Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.
  • Dan 9:9 : 9 Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.
  • Hos 9:7 : 7 De dagen der bezoeking zijn gekomen, de dagen der vergelding zijn gekomen; die van Israel zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man des geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de haat ook groot.
  • Rom 3:19-20 : 19 Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. 20 Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.
  • 1 Kor 3:19 : 19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 79%

    9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.

  • Ps 59:11-12
    2 verzen
    79%

    11De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.

    12Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!

  • Ps 140:9-10
    2 verzen
    78%

    9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.

    10Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.

  • Ps 73:18-19
    2 verzen
    78%

    18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

    19Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

  • Jer 18:22-23
    2 verzen
    77%

    22Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.

    23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.

  • 15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.

  • 7Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.

  • 8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

  • Ps 21:9-11
    3 verzen
    76%

    9Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.

    10Gij zult hen zetten als een vurige oven ter tijd uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.

    11Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.

  • 5Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.

  • Ps 69:24-25
    2 verzen
    75%

    24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.

    25Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.

  • 27Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.

  • 10Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.

  • Ps 62:3-4
    2 verzen
    74%

    3Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.

    4Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.

  • Ps 58:6-7
    2 verzen
    74%

    6Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.

    7O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!

  • 23Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. [ (Psalms 55:24) Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen. ]

  • Ps 64:7-8
    2 verzen
    74%

    7Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.

    8Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.

  • 11Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.

  • 20Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.

  • 11Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.

  • 74%

    65Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!

    66Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.

  • 9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

  • 73%

    5Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.

  • 73%

    6De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.

  • 2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.

  • 4Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.

  • 17Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken.

  • Rom 11:9-10
    2 verzen
    73%

    9En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.

    10Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.

  • 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

  • 23En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.

  • 10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.

  • 5Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.

  • 5O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.

  • 72%

    3Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.

  • 9Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.

  • 7Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.

  • 15Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.

  • 10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,