Psalmen 107:11

Statenvertaling (States Bible)

Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 106:7 : 7 Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.
  • Ps 106:43 : 43 Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.
  • Spr 1:25 : 25 En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;
  • Luk 7:30 : 30 Maar de Farizeen en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde.
  • Ps 73:24 : 24 Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
  • Ps 78:40 : 40 Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!
  • Luk 16:14 : 14 En al deze dingen hoorden ook de Farizeen, die geldgierig waren, en zij beschimpten Hem.
  • Hand 20:27 : 27 Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods.
  • Rom 1:28 : 28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
  • Spr 1:30-31 : 30 Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad; 31 Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
  • Jes 5:19 : 19 Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israel, dat wij het vernemen!
  • Jes 63:10-11 : 10 Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben Zijn Heiligen Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden. 11 Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders Zijner kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heiligen Geest in het midden van hen stelde?
  • Jer 44:16 : 16 Aangaande het woord, dat gij tot ons in des HEEREN Naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen.
  • Klaagl 3:39-42 : 39 Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. 40 Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE. 41 Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende: 42 Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.
  • Klaagl 5:15-17 : 15 De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd. 16 De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben! 17 Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.
  • Ps 113:7-9 : 7 Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt; 8 Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks. 9 Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!
  • Ps 119:24 : 24 Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
  • 1 Sam 2:5-8 : 5 Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. 6 De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen. 7 De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8 Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
  • 2 Kron 25:15-16 : 15 Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Amazia; en Hij zond tot hem een profeet, die zeide tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand? 16 En het geschiedde, als hij tot hem sprak, dat hij hem zeide: Heeft men u tot des konings raadgever gesteld? Houd gij op; waarom zouden zij u slaan? Toen hield de profeet op, en zeide: Ik merk, dat God besloten heeft u te verderven, dewijl gij dit gedaan, en naar mijn raad niet gehoord hebt.
  • 2 Kron 33:10 : 10 De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.
  • 2 Kron 36:16 : 16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
  • Ps 68:6 : 6 Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.
  • Ps 68:18 : 18 Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 107:12-14
    3 verzen
    78%

    12Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.

    13Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.

    14Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.

  • 10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;

  • Spr 1:29-30
    2 verzen
    75%

    29Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.

    30Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;

  • 27Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;

  • 10Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.

  • 56Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.

  • 17Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

  • Ps 107:17-18
    2 verzen
    74%

    17De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;

    18Hun ziel gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.

  • 33Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.

  • Ps 106:42-43
    2 verzen
    73%

    42En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.

    43Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

  • Ps 107:39-40
    2 verzen
    73%

    39Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.

    40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

  • 26Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen wederkeren tot U; alzo hebben zij grote lasteren gedaan.

  • 26Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;

  • 13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?

  • 24Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.

  • 22Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.

  • Ps 107:26-27
    2 verzen
    70%

    26Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.

    27Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.

  • 16Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.

  • 16Maar zij en onze vaders hebben trotselijk gehandeld, en zij hebben hun nek verhard, en niet gehoord naar Uw geboden;

  • 13Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.

  • 25En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;

  • 11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.

  • 12Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israel heeft Mijner niet gewild.

  • 10Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.

  • 9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

  • 28Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.

  • 11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

  • 21En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;

  • 28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.

  • 70%

    2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:

  • 40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

  • 7Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot den Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem.

  • 14Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers; om koren en most verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen Mij.

  • Ps 78:31-33
    3 verzen
    69%

    31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.

    32Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.

    33Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.

  • 40Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.

  • 5Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.

  • 12Daarom, zo zegt de Heilige Israels: Omdat gijlieden dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop:

  • 8Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden dezes verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben.

  • 10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

  • 12Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!

  • 21Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;