Psalmen 107:17

Statenvertaling (States Bible)

De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Klaagl 3:39 : 39 Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
  • Jes 57:17-18 : 17 Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig henen in den weg huns harten. 18 Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen.
  • Jes 65:6-7 : 6 Ziet, het is voor Mijn aangezicht geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, in hun boezem zal Ik vergelden; 7 Uw ongerechtigheden, en uwer vaderen ongerechtigheden tegelijk, zegt de HEERE, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weder toemeten.
  • Jer 2:19 : 19 Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij den HEERE, uw God, verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen.
  • Num 11:33-34 : 33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag. 34 Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.
  • Num 12:10-13 : 10 En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aaron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats. 11 Daarom zeide Aaron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben! 12 Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is! 13 Mozes dan riep tot den HEERE, zeggende: O God! heel haar toch!
  • Num 21:5-9 : 5 En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. 6 Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel. 7 Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. 8 En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. 9 En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
  • Ps 14:1 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
  • Ps 38:1-8 : 1 Een psalm van David, om te doen gedenken. 2 O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid. 3 Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald. 4 Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde. 5 Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. 6 Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid. 7 Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart. 8 Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.
  • Ps 92:6 : 6 O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
  • Spr 1:22 : 22 Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
  • Spr 7:7 : 7 En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
  • Spr 7:22 : 22 Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 107:18-19
    2 verzen
    77%

    18Hun ziel gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.

    19Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • Ps 107:27-28
    2 verzen
    75%

    27Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.

    28Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.

  • 16Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.

  • Ps 107:10-13
    4 verzen
    74%

    10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;

    11Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.

    12Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.

    13Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.

  • 4Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten.

  • 32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.

  • 39Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.

  • Spr 14:8-9
    2 verzen
    73%

    8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.

    9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.

  • 29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.

  • 8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?

  • 25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.

  • 21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.

  • Spr 26:9-10
    2 verzen
    71%

    9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.

    10De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.

  • 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.

  • 19Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.

  • 5Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.

  • 16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?

  • Spr 18:6-7
    2 verzen
    71%

    6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

    7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.

  • 33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.

  • Ps 107:5-6
    2 verzen
    70%

    5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.

    6Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;

  • 15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.

  • 5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.

  • 22Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet.

  • 22Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;

  • 7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.

  • 3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.

  • 67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.

  • 16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.

  • 6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

  • 3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.

  • 8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;

  • 17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,

  • 15De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.

  • 34Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.

  • 12Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.

  • 8Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.

  • 43Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

  • 15Wat krijt gij over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan.

  • 15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.