Psalmen 107:39

Statenvertaling (States Bible)

Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Kon 10:32 : 32 In die dagen begon de HEERE Israel af te korten, want Hazael sloeg ze in alle landpalen van Israel:
  • 2 Kon 13:7 : 7 Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.
  • 2 Kon 13:22 : 22 Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van Joahaz.
  • 2 Kon 14:26 : 26 Want de HEERE zag, dat de ellende van Israel zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israel geen helper had.
  • 2 Kron 15:5-6 : 5 En in die tijden was er geen vrede voor dengene, die uitging, en dengene, die inkwam; maar vele beroerten waren over al de inwoners van die landen; 6 Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gestoten werden; want God had hen met allen angst verschrikt.
  • Job 1:10-17 : 10 Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande. 11 Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? 12 En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN. 13 Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene. 14 Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden. 15 Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 16 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 17 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
  • Ps 30:6-7 : 6 Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. 7 Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
  • Jer 51:33-34 : 33 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overkomen. 34 Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een ledig vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven.
  • Gen 45:11 : 11 En ik zal u aldaar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren des hongers zijn, opdat gij niet verarmt, gij en uw huis, en alles wat gij hebt!
  • Ex 1:13-14 : 13 En de Egyptenaars deden de kinderen Israels dienen met hardigheid. 14 Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, dien zij hen deden dienen met hardigheid.
  • Ex 2:23-24 : 23 En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israels zuchtten en schreeuwden over den dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God. 24 En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob.
  • Richt 6:3-6 : 3 Want het geschiedde, als Israel gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen. 4 En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst des lands, tot daar gij komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israel, noch klein vee, noch os, noch ezel. 5 Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kemelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. 6 Alzo werd Israel zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE.
  • Ruth 1:20-21 : 20 Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. 21 Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de HEERE doen wederkeren; waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de HEERE tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?
  • 1 Sam 2:5-7 : 5 Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. 6 De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen. 7 De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
  • 2 Kon 4:8 : 8 Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat aldaar een grote vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten. Voorts geschiedde het, zo dikwijls hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten.
  • 2 Kon 8:3 : 3 En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit het land der Filistijnen wederkeerde; en zij ging uit, dat zij tot den koning riep, om haar huis en om haar akker.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 107:37-38
    2 verzen
    83%

    37En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen.

    38En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet.

  • Ps 107:40-41
    2 verzen
    80%

    40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

    41Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.

  • Ps 106:41-44
    4 verzen
    77%

    41En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.

    42En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.

    43Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

    44Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.

  • Ps 107:10-13
    4 verzen
    75%

    10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;

    11Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.

    12Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.

    13Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.

  • 19Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.

  • Ps 107:26-28
    3 verzen
    73%

    26Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.

    27Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.

    28Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.

  • Ps 107:5-6
    2 verzen
    73%

    5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.

    6Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;

  • Job 36:8-9
    2 verzen
    73%

    8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;

    9Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;

  • 17De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;

  • 9Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.

  • 3Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?

  • 15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.

  • 12Alzo zegt de HEERE: Zijn zij voorspoedig, en alzo velen, alzo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken.

  • 37En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid.

  • Jes 8:21-22
    2 verzen
    72%

    21En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;

    22Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. [ (Isaiah 8:23) Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen. ]

  • 19Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.

  • Ps 129:1-3
    3 verzen
    72%

    1Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;

    2Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.

    3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.

  • 19Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

  • 34Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.

  • 15Overal, waarheen zij uittogen, was de hand des HEEREN tegen hen, ten kwade, gelijk als de HEERE gesproken, en gelijk als de HEERE gezworen had; en hun was zeer bang.

  • 40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

  • 10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.

  • 37Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;

  • 5O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.

  • 11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.

  • 46Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.

  • 12Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israels.

  • 4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.

  • 23Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.

  • 23Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren;

  • 23Maar Ik zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en gij legdet uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan.

  • 17Opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en de een met den ander verbaasd worden, en in hun ongerechtigheid uitteren.

  • 28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.

  • 65Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!

  • 19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;