Job 34:28
Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.
24Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!
17Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?
6He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
9Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.
9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
23Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren;
24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?
25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?
12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.
12Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.
44Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.
12Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.
15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
12Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.
4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
3Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.
41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
28Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.
4Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
19Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest.
31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
12Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.
28En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.
2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
33De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
5Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
17HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
4Hoort dit, gij, die den nooddruftige opslokt! en dat om te vernielen de ellendigen des lands;
8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
38Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
8Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
41Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.
1Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.
16Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.
27Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;
17Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,
19Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
21Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.