Job 31:38
Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
39Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;
37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
8Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!
12Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.
13Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.
18O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.
40Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week.
25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
31Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.
3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.
18Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.
16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;
2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.
28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
17De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.
19Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
19Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;
20Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
31Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.
31Daarom zal Ik over Moab huilen, ja, om gans Moab zal Ik krijten; over de lieden van Kir-heres zal men zuchten.
9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.
17Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des HEEREN kudde gevankelijk is weggevoerd.
25Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.
29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
14Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.