Job 31:7

Statenvertaling (States Bible)

Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 15:39 : 39 En hij zal ulieden aan de snoertjes zijn, opdat gij het aanziet, en aan al de geboden des HEEREN gedenkt, en die doet; en gij zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die gij zijt nahoererende;
  • Pred 11:9 : 9 Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.
  • Matt 5:29 : 29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
  • Jes 33:15 : 15 Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;
  • Ezech 6:9 : 9 Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelven hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.
  • Ezech 14:3 : 3 Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
  • Ezech 14:7 : 7 Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;
  • Job 9:30 : 30 Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;
  • Job 23:11 : 11 Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
  • Ps 44:20-21 : 20 Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt. 21 Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid.
  • Ps 101:3 : 3 Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 31:4-6
    3 verzen
    82%

    4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?

    5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;

    6Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.

  • 81%

    3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.

  • Job 31:25-27
    3 verzen
    79%

    25Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;

    26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;

    27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;

  • 11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

  • Job 31:8-9
    2 verzen
    76%

    8Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!

    9Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;

  • 11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.

  • 2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

  • 33Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!

  • 30Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;

  • 13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.

  • 1Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?

  • Ps 18:23-24
    2 verzen
    75%

    23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.

    24Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

  • 5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

  • 75%

    24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

    25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.

  • 14Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.

  • Job 31:21-22
    2 verzen
    74%

    21Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;

    22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!

  • 32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

  • Job 11:13-14
    2 verzen
    74%

    13Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.

    14Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.

  • 17Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.

  • 1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.

  • Job 31:37-38
    2 verzen
    73%

    37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.

    38Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;

  • 20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.

  • 20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?

  • 3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.

  • 12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?

  • 9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?

  • 9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.

  • 16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.

  • 21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

  • 37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.

  • 9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.

  • 16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;

  • 3Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

  • 22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

  • 6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

  • 15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.

  • 4Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.

  • 6Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.

  • 4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.