Psalmen 73:2
Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
36Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.
17Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.
18Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
14Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!
1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
8Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.
3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.
11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.
11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.
10HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.
10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
28Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.
2Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.
15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.
11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
12Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
12Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.
37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
2Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.
6Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;
13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.