Psalmen 119:87
Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
139Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
51De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
13Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.