Psalmen 119:139
Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
17En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
7Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
38Ik vervolgde mijn vijanden, en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik ze verdaan had.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
22Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.
53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
3Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.
4Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
83Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.
84Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,
6Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
4Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
19Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;