Psalmen 119:16
Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
46Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
17Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
8Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
54Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
55HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
139Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.