Job 19:11

Statenvertaling (States Bible)

Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 13:24 : 24 Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
  • Job 16:9 : 9 Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.
  • Job 33:10 : 10 Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.
  • Ps 89:46 : 46 Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.
  • Ps 90:7 : 7 Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
  • Klaagl 2:5 : 5 He. De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israel verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft deszelfs vastigheden verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.
  • Deut 32:22 : 22 Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 33:10-11
    2 verzen
    85%

    10Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.

    11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

  • Job 19:12-14
    3 verzen
    82%

    12Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.

    13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.

    14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

  • Job 16:9-14
    6 verzen
    81%

    9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.

    10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

    11God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.

    12Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.

    13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

    14Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.

  • 80%

    11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.

    12Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.

  • Job 19:8-10
    3 verzen
    80%

    8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

    9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.

    10Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.

  • 19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.

  • Klaagl 3:5-6
    2 verzen
    78%

    5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.

    6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

  • 19Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.

  • 8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.

  • Job 19:18-19
    2 verzen
    76%

    18Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.

    19Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.

  • 17Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.

  • 22Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.

  • 11Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.

  • 3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

  • 29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;

  • 10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,

  • 7Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • Job 19:5-6
    2 verzen
    74%

    5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

    6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

  • 74%

    4HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;

  • 19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

  • 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  • 9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.

  • 6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

  • 41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.

  • 19En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons den boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.

  • 12Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.

  • 40Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.

  • 3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.

  • 4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;

  • 7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

  • 10Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.

  • 3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.