Job 33:10

Statenvertaling (States Bible)

Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 13:24-25 : 24 Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand? 25 Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?
  • Job 19:11 : 11 Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
  • Job 30:21 : 21 Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.
  • Job 31:35 : 35 Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
  • Job 34:5 : 5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
  • Job 14:16 : 16 Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.
  • Job 16:9 : 9 Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.
  • Job 9:30-31 : 30 Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep; 31 Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
  • Job 10:15-17 : 15 Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende. 16 Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij. 17 Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 19:11-13
    3 verzen
    85%

    11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.

    12Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.

    13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.

  • 11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

  • Job 16:9-13
    5 verzen
    78%

    9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.

    10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

    11God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.

    12Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.

    13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

  • 10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

  • Ps 7:4-5
    2 verzen
    77%

    4HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;

    5Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered die mij zonder oorzaak benauwde!)

  • 7Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.

  • 3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

  • 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  • 19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.

  • 10Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.

  • 75%

    9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.

    10Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.

    11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.

    12Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.

  • 5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.

  • 4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;

  • 29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;

  • 19Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.

  • 8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.

  • Job 10:16-17
    2 verzen
    75%

    16Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.

    17Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.

  • 9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.

  • 4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?

  • 8Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.

  • 5Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.

  • 7En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.

  • Job 19:5-6
    2 verzen
    73%

    5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

    6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

  • 32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.

  • 22Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.

  • 15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

  • 3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.

  • 19Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.

  • 8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

  • 10Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  • 11Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.

  • 13Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.

  • 15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

  • 27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

  • 5In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?