Job 19:8
Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.
6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.
10Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.
11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
12Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.
13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.
3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.
11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.
10Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.
11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.
23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;
10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
8Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.
9Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.
13Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.
13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.
8Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.
11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.
3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.
17Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
12Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.
13Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.
9Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een groten glans, maar wij wandelen in donkerheden.
21Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;
22Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.
28Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.
11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!
11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.
5Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!
18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?