Psalmen 119:86
Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
84Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
138Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
75Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
13Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.
2Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht die op U betrouwt.
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
15Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.