Psalmen 119:58
Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
169Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
132Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
57Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
16Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
145Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.
8Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
64HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
17Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
154Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.
8Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
5De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.
80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.