Psalmen 119:173
Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
175Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
10Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
8Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
48En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
17Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
23Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
27Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
15Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
7Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
13Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
13Want Ik, de HEERE, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.