Psalmen 119:5
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
54Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
13Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
145Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
29Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te allen dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!
135Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
136Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.