Psalmen 119:135
Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.
122Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.
123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
132Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
17Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
136Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
68Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
64HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
17Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
8Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
16Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
19Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen. [ (Psalms 80:20) O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden. ]
6Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
10Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
3Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.