Psalmen 119:136
Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
48Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks.
49Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;
123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
135Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
137Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
24Maar laat het oordeel zich daarhenen wenden als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek.
16Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?
7Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
1Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks.
1Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
148Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
126Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
145Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
16Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.
20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
51Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad.