Psalmen 119:137
Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
138Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
75Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
6O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.
164Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
1Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?
4Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.
17Tsade. De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.
8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
151Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
4De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
9De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
4Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
3Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.
68Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
11Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
57Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
4En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
136Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
14Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.
30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
5De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.
7Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
62Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.
8Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!
1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
7Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
6De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
1Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.
2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.