Psalmen 119:1
Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
3Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
1Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.
1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
2Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
3Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.
165Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
137Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
5Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.
7Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
8De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
17Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
15Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.
4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
12Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
1Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
1Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?
2Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
8Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.