Psalmen 19:7
Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
9De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
130De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.
1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
7Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.
6Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.
7De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
30Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.
21De HEERE had lust aan hem, om Zijner gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.
31Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
12Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.
4Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
2Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
6En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
6De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
5Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen.
137Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
10Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.
10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
33God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
18Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.
61En ulieder hart volkomen zij met den HEERE, onzen God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te dezen dage.
32Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
4Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
8Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.
12Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,
19Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
6En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.
13Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
17Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.
22Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;
10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.