Psalmen 19:8
De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
9De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
18Wanneer gij de stem des HEEREN, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, om te houden al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, om te doen wat recht is in de ogen des HEEREN, uws Gods.
7Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.
137Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
138Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
8De HEERE opent de ogen der blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.
61En ulieder hart volkomen zij met den HEERE, onzen God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te dezen dage.
4Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
11Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.
12Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
7Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
9En hij gebood hun, zeggende: Doet alzo in de vreze des HEEREN, met getrouwheid en met een volkomen hart.
8Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
17Gij zult de geboden des HEEREN, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
21De HEERE had lust aan hem, om Zijner gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
8En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?
1Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
6Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.
15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
25En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
130De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
8Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
8Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.