Spreuken 23:16
En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
8Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
23Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
5Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
24De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.
25Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
26Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
26Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.
11Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.
7Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
17Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.
21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
42De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
9Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
28Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.